G. Voorlezen in de kring
Een boek over het thema van de week: regen.
Dit fragment duurt 5,5 minuten.
Analyse Madeleine
Sterk:
- Leidster focust op bepaalde momenten op verhaalstructuur: ze stelt bijv de vraag “Waarom is Marsha niet blij?”
- Leuk dat de leidster de kinderen betrekt bij het verhaal door passages na te spelen (het stampen bij boosheid en dansen bij blijheid)
- Goed dat ze met haar lichaamstaal de handelingen toelicht.
Kansen:
Leidster kan meer op de verhaalstructuur focussen. Ze kan dit bijv. doen door expliciete aandacht te vestigen op de voorpagina en daarmee de voorkennis te activeren. Verder ook door meer tempo in het verhaal te brengen. Bijv. door geen nadruk te leggen op de boosheid, waar het meisje in lijkt te blijven hangen, maar sneller toe te lezen naar de reden waarom het meisje boos is. Naar wat ze eigenlijk wil en waar het om draait.
Soms komt dit in een boek niet expliciet naar voren en moet je dat zelf toevoegen. Door bijv. te zeggen “Het meisje denkt waarschijnlijk: ik zou zo graag willen dat het regent. Waarom kan ik mijn nieuwe kleren nou niet aan. Hè wat jammer dat het niet kan. Ik word er boos van, want ik wil zo graag mijn nieuwe regenkleren aan.
De interactie zou dan ook niet moeten zijn: “Kijk, daar hangt ook een zon!” of “Zijn jullie ook wel eens boos?” Maar: “Hebben jullie ook wel eens nieuwe kleren? En dat je ze heel graag aan wil, maar dat dat nog even niet kan?”
“Maar wacht even, het kan wél ….. kijk maar wat er gebeurt. Daar is papa!”
Nu is dat natuurlijk wel een rare wending in het verhaal. Het is eigenlijk een grapje. Kinderen begrijpen nog niet helemaal de clou, dus daar mag de leidster wel meer nadruk op leggen. Bijv. door “Hè? Wat is dat nou? Wat gebeurt er nu? (kinderen zullen dan misschien roepen: “De douche! Papa doet de douche aan!”) De leidster kan dan zeggen “Ja, de pappa doet de douche aan. Dat is raar! Heel raar! Dat is toch geen echte regen?? Maar het meisje kan nu wel haar laarsjes aan hè? En dat wilde ze zo graag. Slim hoor. Dat is heel slim bedacht van de vader. Vinden jullie ook niet?” Via deze interactie focust ze meteen op de verhaalstructuur en blijft ze de rode draad volgen.
Je kunt aan het einde ook zeggen: “Hebben jullie dat ook wel eens? Dat je heel lang moet wachten op iets? Dan komt het maar niet en moet je maar wachten. Dan gaat het eerst zo: hè nee, het lukt niet… Hè, wat jammer nou. Je wordt er boos van. En dan opééns, dan mag het tóch. Joepie!! En dan ga je dansen omdat je zo blij bent. Laat eens zien: hoe dansen jullie dan? Ja precies! zo van joepie het mag tóch, het mag tóch!” Op deze manier kan de leidster doen wat ze wil doen met de kinderen (nl. boosheid nadoen, blijdschap nadoen, maar dan wel met die extra lading die belangrijk is om het verhaal te begrijpen).
Je kunt natuurlijk ook aandacht besteden aan andere aspecten (kennis van de wereld, woordenschat e.d.), maar ik vind de verhaalstructuur heel belangrijk omdat het voorlezen de enige activiteit is waarbij je daar zo expliciet aandacht aan kunt besteden.
